De maand juli

Een hele maand voorbij en wat doet een mens in dertig dagen? Eerst bliksembezoek van H die zich vanuit Frankrijk een motorfiets (zo’n oude, van de gemotoriseerde politie) had aangeschaft. Hij kwam vliegen met een loodzware tas waarin zijn leren motorkleding zat, rondde op maandag de koop af, liet de papieren overschrijven en tufte dinsdagmorgen in alle vroegte terug naar Frankrijk. Hij nam hier twee dagen voor om de fiets goed uit te testen. Zou hij niet bevallen, dan verkocht hij hem wel weer. Maar het ding zat hem als gegoten, kreeg ik de indruk. Ook buitenmens geworden, zag H. trouwens meteen hoeveel werk er hier buiten was verzet en hoe goed de boel was bijgehouden.

Op hetzelfde moment dat H hier de deur binnenstapte, belde W. Het kan verkeren. Zo zie of spreek je ze zelden, zo heb je er twee in één week want die kwamen op zaterdag. Helaas bleek Jasper(2) panisch voor Yoeko hoewel Wouter(6) erg onbevangen omgaat met de hond. Het wilde maar niet wennen en het werd zelfs zo erg dat ik Yoeko moest wegsluiten.

De rijpende frambozen bleek het enige boeiende aan de tuin. Gevaarlijk om te plukken tussen de manshoge bramenscheuten en brandnetels die we nog niet allemaal verwijderd hadden en ik vond het dan ook niet goed. De enige aardbeien – aan de enige plant die door de kippen was gespaard – die Inge en ik hadden willen proeven (wel/niet verder kweken?), was ondertussen verdwenen. Niet alleen die ene rijpe vrucht, maar de hele stengel met nog twee onrijpe aardbeitjes was eruit gehaald. Ik voelde me kinderachtig en boos tegelijk.

Dezelfde week hadden Inge (en ik, maar zij doet het zware werk) de rhodo’s in de voortuin gesnoeid, zodat het originele pad weer tevoorschijn was gekomen. Jurjen, de ecologische bomenman, had al geconstateerd dat er voldoende jonge ondergroei was, zodat we drastisch te werk mochten gaan. De rozenboog die ik kocht om de kamperfoelie te steunen, beviel niet. We hebben het ding gesloopt en naar onze eigen behoefte anders opgebouwd. Hij heeft de storm vorige week glansrijk doorstaan. Jurjen had gelukkig ook bij zijn vorige bezoek de grote dode tak uit de eikenboom gezaagd, pal boven het tentje en de kippenren. De dag voor de storm kreeg ik zijn nota. Ik heb zelden met zoveel plezier een nota betaald want behalve wat uitgewaaide dode en levende twijgen uit de dennen (en veel jonge toppen uit de eikenbomen) is alles blijven staan. Zelfs de enorme douglas, die onlangs was opgeschoond, verloor maar weinig hout. Als die ooit valt, ga ik verhuizen.

FLUWEELBOOM

Anders was het met die verdomde metershoge fluweelbomen van de buren. Ze hadden er op mijn verzoek al een paar weggehaald die ver over het hek in mijn miezerende notenboom groeiden. Maar ze hadden er ook een laten staan op nog geen 30 cm van de erfscheiding. Jurjen zei meteen: dat ding moet weg, maar om nou ongevraagd de bomen van buurman om te zagen ging mij te ver.

Gisteren was ik lange tijd weg. Bij thuiskomst zag ik dat die metershoge fluweelboom was afgescheurd, vermoedelijk nog even blijven hangen na de storm, en in mijn notenboom was gevallen. Om zeven uur gisteravond heb ik schadelijkste takken weggezaagd om mijn vernielde notenboom te ontlasten want hij zit vol noten sinds hij gevoed wordt met kippenstront. Een grote woede overviel me. Had ik toevallig met de hond in de frambozen gelopen (vanwege de regen niet meer gedaan), dan had die vallende boom ons de kop kunnen kosten.

Eerst was ik van plan om alle verzaagde takken over het hek naar hun kant te gooien. Mijn eigen houtwal ligt ondertussen meer dan vol. Maar zonder Inge bleek dit geen doen met die plaat in mijn pols. De boomstam is dikker dan een damesdij. Ik besloot een briefje bij de buren in de bus te stoppen, maar na het verzagen van de zijtakken die de notenboom dreigden te mollen belde ik aan. Een huisbewaarder stond me te woord en beloofde vanmiddag te komen helpen de boel op te ruimen. Is inmiddels gebeurd. Hij stond ervan te kijken hoeveel boom het was, en heeft de boel over het hek gedonderd.

IRAK

Een week lang kwam mijn zwerversbloed boven. H, met wie ik wel eens een loempiaatje eet, vertelde dat hij plannen had met twee bevriende echtparen een dag of zes naar Esfahan (Iran) te gaan en of ik soms mee wilde? Ik ken H. al vijftig jaar en we hebben een soort broer/zus relatie die zeer prettig is. Een van zijn vrienden heeft in Iran gewerkt en spreekt de taal. Nee, zei ik, maar de volgende morgen mailde ik hem dat ik van gedachten was veranderd. Zes dagen van huis zou moeten lukken en ik wilde Esfahan dolgraag zien vanwege de kunstige oude bouwsels in baksteen, waarop mijn vader zo dol was.

Ik schafte meteen de meest recente reisgids aan en bestudeerde alle in’s en out’s. Leerde dat visacards niet werden geaccepteerd en dat er ook geen pinautomaten waren. Contanten meenemen en in het (liefst Perzische) hotel samen een kluisje huren om de boel veilig te stellen. Informeren welke entingen nodig waren. Me verder verdiept in alle (tussen)vormen van Islamitische kledij en mijn moeders rijke collectie shawls nagezocht om te zien of er ‘hoofddoeken’ tussen zaten. Ik was al een heel eind op weg; de ingeslapen vrijbuiter in me kwam geheel tot leven. Morgen zou de eerste ontmoeting met de reisgenoten zijn. Paspoort mee om de reis te reserveren.

Helaas kwam gisteren het bericht dat Iran momenteel alleen te bereizen valt in grote gezelschappen, gebruik makend van bepaalde nachtvluchten met extra overstap en controle, ondergebracht in bepaalde toeristenhotels. Dit was zeker niet onze bedoeling dus de reis wordt tot nader order uitgesteld.

HD heeft ook al gevraagd of ik niet eens mee wil. Hij gidst groepen geleerde dames en heren door Iran. Maar ik wil kijken in plaats van leren en houd niet reizen waarbij de grote groep ademloos achter de goeroe aanhobbelt. Ik wil desnoods uren kunnen turen naar één object. Zonder geouwehoer.

ALLERGIE

Enige vorm van hooikoorts zal ik altijd blijven houden, maar die zware allergie ben ik kwijt sinds de vochtige schimmels in huis niet langer worden gevoed door lekkages en doorslaande buitenmuren. Zonder het te weten ben ik hier langdurig behoorlijk ziek van geweest. Er heerste hier hetzelfde zompige binnenklimaat als in Broek waar ik na een aantal dagen altijd hardstikke beroerd werd. Vocht is de pest voor jou, zei homeopaat Maas al veertig jaar geleden. Reden om ‘op het zand’ te gaan wonen in plaats van aan het water. Maar op het zand in een doorslaand huis bleek toch geen doorslaand succes.

VRIJHEID

Een belangrijk besluit was mijn redacteurschap eraan te geven. Eens per kwartaal groef ik mijzelf een maand lang in, om een welverzorgd blaadje te maken voor een besloten groep. Na dit in de jaren ’90 10 jaar pro deo te hebben gedaan, hield ik er toen mee op. Omdat niemand mijn werk kon of wilde overnemen haalden ze een professional binnen die ervoor kreeg betaald. Toen deze man plotseling overleed kwamen ze bij mij terug om hen uit de brand te helpen. Ik heb het werk toen geaccepteerd tegen dezelfde betaling als hij ervoor kreeg. Ik paste mijn vakanties en vrije dagen erop aan. Betaald werk schept immers verplichtingen?

De keerzijde was dat ik het werk creatief en leuk vond. Ik bouwde prettige contacten op met zowel drukker als schrijvers. Aanvankelijk onder toezicht van de oude hoofdredacteur met wie ik in eerdere jaren ontzetten plezierig had samengewerkt. Helaas leed hij aan een oogkwaal waardoor hij vele toetsen missloeg. Hij schreef veel maar zijn werk moest altijd worden geredigeerd wat ik niet erg vond. Ik deed het met plezier en zorgde ervoor dat zijn inzendingen er altijd piekfijn uitzagen.

Twee jaar terug werd het hoofdredacteurschap overgedragen aan de secretaris van de club. Een taalgevoelig mens die mijn taak wat zou kunnen verlichten. Niets bleek minder waar. Op momenten dat het blad moest worden gemaakt bleek hij op vakantie, of weg, of verhinderd iets meer te doen dan een spellingchecker over de bubs heen te halen. Maar redigeren is een smakelijk leesbaar stuk voor de lezer produceren, zonder herhalingen, kromme zinnen of ijdelheden, en dan ook nog in de stijl van de schrijver. Kort en goed: ik deed het werk en hij kreeg de complimenten voor het blad tot ik hiertegen protesteerde. Pas vorig jaar werd expliciet vermeld dat ik zowel redactie als opmaak deed.

In januari besloot het bestuur met het gedrukte blad te stoppen omdat dit te kostbaar werd. Men besloot maandelijks een digitale nieuwsbrief te gaan publiceren. Ik kreeg dit pas te horen toen dit een onvoldongen feit was, precies een week voordat het allerlaatste gedrukte tijdschrift gemaakt zou worden. Waarschijnlijk gingen ze ervan uit dat ik die nieuwsbrief wel zou doen maar ik zag de bui al hangen. Eens per kwartaal was me voldoende. Elke maand een week gevangen zitten stond me niet aan. Omdat digitaal een totaal andere werkwijze vraagt dan drukwerk, voelde ik er ook niet voor. Ik zei dus nee. Maar er zouden vanwege donateurs en adverteerders nog twee tijdschriftjes ‘als vanouds’ moeten verschijnen en of ik die nog wilde maken. Ik zou er over denken.

Begin vorige maand stuurde ik e-mails met de vraag wat de bedoeling verder was. Geen antwoord. Vorige week pas een telefoontje hoeveel kopij ik al binnen had? Nope dus! Of ik maar aan het blad wilde beginnen. Hoezo? Waarmee? Op welke wijze? Liefst in XML. En toen werd alles me te gortig. Geheel tegen mijn gewoonte gooide ik er de bijl bij neer. Dag arrogant geworden club waarvan ik sinds 1984 deel uitmaakte en zelf tien jaar bestuurslid was. Wat werkten we hard in die jaren en met hoeveel plezier om de band tussen bestuur en vrijwilligers goed te houden. Niets meer van dit al. Ze lijken daar momenteel een wedstrijd te houden wie het langst aan het pluche kan blijven kleven. Gemakzucht troef. Doodzonde maar het is niet anders. Er zijn gelukkig belangrijkere dingen.