Terug naar Log

08-14-2001: "Schutten"

Ruim voordat we bij een sluis aankwamen borgen we binnen de breekbare zaken op, haalden we kinders en honden naar buiten en bonden hen vast in de kuip. Daar waren we precies in want deining en onderstroom kunnen fors zijn. Tijdens het schutten kan je niet van je lijn weg en heb je geen handen vrij voor gejammer.

Het was een kunst om in onze kleine kuip iedereen zo te stallen dat we zelf de nek niet braken. Hendrik werd vastgegespt op zijn troon, de pot op het plankje, en mocht op de scheepstoeter blazen omdat het toch al een klereherrie was. Tsja en de hondjes moesten uit de loop gaan zitten, kregen een leeflijn om en werden aan de fokkeboom gebonden. De tekkels zongen luid met het toetertje mee.

Zodra de stootwillen aan alle zijden buiten hingen en de pikhaak uit het want was gehaald gleden we op de motor zachtjes het gewoel binnen op zoek naar een plek langs de muur met onze lengte. Daar was het kleinere spul al gaan liggen dat niet van wijken wilde weten. Tien tegen een kwam de sluiswachter dan plaatsen verdelen: de grotere bakken met de lange lijnen langs de muur en de kleintjes langszij bij de groten. Dit gaf een gemanoeuvreer van je welste waarbij vriendschappen verkoelden en huwelijken aan een zijden draadje hingen. Er werd wat afgeschreeuwd, gescholden en gejankt voordat iedereen zijn plek had gevonden en de sluisdeuren sloten. En dan moest het ergste nog komen.

Er waren sluizen met een groot verval. Hoeveel, stond altijd aangegeven maar zelfs als je dit niet had gezien bond je het schip nooit vast aan de wal. Je wierp een landvast over de bolder en greep het losse eind om het touw te kunnen laten slippen als het water daalde, of aan te halen als het water steeg. Van de kleinere boten waren de lijnen zelden lang en sterk genoeg. Je kon er donder op zeggen dat de eigenwijzen die aan de muur waren blijven liggen hun boot ophingen. Dan moest er een mes aan te pas komen om de touwen door te snijden en dit deed au in de portemonnee. Praat me niet van de vergeten honden die nog met de lus van de riem om de kadebolder zaten. Is ons de eerste keer trouwens ook overkomen.

De kritiekste fase brak aan als de sluisdeuren weer open gingen en de beroepsvaart de motoren startte. De kapteins waarschuwden vergeefs dat men zich schrap moest zetten. De eerste minuten leek er ook niets te gebeuren. Dan gooiden beterweters toch de lijnen los. Maar zodra de veeltonners vooruit sloegen ontstond er een deining waarvan die haastmakers van hun voetstuk gleden, koffiepotten en borrelglazen nog daargelaten. Dan spatten hun laatste resten zelfbeheersing als bellen uiteen. Wij wachtten meestal gelaten om als laatste de sluis te verlaten. Met toeter en kef als apotheose.

 

 

 

 

Site Meter