Terug naar Log

10-14-2001: "Een wonderlijk weerzien"

Je bent op een keurige partij van iemand die tachtig is geworden en beweegt je te jong, ongemakkelijk en opgepoetst tussen genode tachtigers die je vaag behoort te kennen maar van wie je f het gezicht f de naam allang bent vergeten. Ellendig gevoel want small talk is niet je sterkste zijde. Je zou het liefst terugvluchten naar je spijkerbroek en je eigen kleine wereld tussen de bomen en gluurt tersluiks op je horloge of het nog niet over is.

Dan is daar plotseling n gezicht dat jou van verre observeert. Je kent het niet en toch is het vertrouwd. Je zoekt koortsachtig naar een context die je niet te binnen schiet. Ze komt naar je toe, grijpt je hand en noemt je bij je voornaam. Ken je mij nog, vraagt ze, en je knikt ja en nee tegelijk.

Ik heb je zo vaak op schoot gehad en met je gespeeld want ik was met je ouders bevriend, zegt ze geroerd. Vlak nadat jouw ouders verhuisden ben ik getrouwd. Zij trokken naar boven de rivieren en wij verder naar het zuiden. We zijn elkaar daarna uit het oog verloren maar jou heb ik herkend. Jij haar dus ook, al kon je haar niet plaatsen. We zagen elkaar voor het laatst toen ik tien was.

Ze vertelde hoe mijn vader - het was oorlog - haar fiets had gebruikt om onder te duiken. De avond voordat hij verdween gaven mijn ouders een feestje. Zij had voor deze gelegenheid een kostbare armband van haar moeder gepikt en was die - vreselijk, er zwaaide wat - verloren. Tot overmaat van ramp werd haar fiets die avond ook nog gestolen.

De volgende morgen was mijn pa voor dag en dauw vertrokken om voor geruime tijd te verdwijnen. Toen hij na maanden terugkwam bracht hij haar met veel excuus haar karretje terug waaraan zelfs de fietstassen nog zaten zij het dan ook zwaar gehavend. Toen die werden afgehaakt om te worden vervangen en op hun kop flink werden uitgeschud, rolde daar de armband van haar moeder uit.

Langzaam kwamen er beelden bij me boven. Ik stond er, geloof ik, vlak voor het naar bed gaan bij toen de fiets door vrienden van mijn vader stiekem de trappen op naar binnen werd gedragen en in de kelder verstopt. Ssst..., zei oom Jan Pieter die geen oom was. Niets verraden want het moet een grapje blijven. Het was oorlog en ik had allang geleerd te zwijgen. Zou het kloppen? Ik was vier.

 

 

 

 

Site Meter