
Beide prinsjes lijken nu oke, voor zover mogelijk is, want de kleinste wil nog steeds niet vliegen. Maar moeder heeft het te jonge kind met engelengeduld de hele tuin door gelokt, meter voor meter, en nu zit het jonge spul in de dichte bos rhodo's aan de andere kant van het huis dan het nest zat, het strikte domein van de merels waar geen gevleugelde rovers worden geduld.
Beide ouders houden de wacht in de bomen rondom en houden stemcontact met de kinders. Ik zag een van beiden met een hap de rhodo's induiken dus er wordt ook weer gevoerd. Tjee, wat een avontuur en welk een volharding van die nootgrote wipstaarten. Onvermoeibaar in touw om dat ene jong in veiligheid te krijgen. Het klopt dus dat ik pa vanmorgen met zijn kind vanuit die richting hoorde zingen.
Als je winterkoninkjes een tijd volgt blijken ze over een breed vocabulaire te beschikken. Het niet aflatende eentonige gekwetter waarmee moeder, wippend en dansend over de takken, het jong maar bleef prikkelen zal ik niet vlug vergeten want ik werd er bijna gek van. Het prrrrrrt prrrrrrt betekent zoveel als 'Even voorzichtig! Ik ben in de buurt met een hapje, maar snaveltje toe'. En dan is er nog het dreigende gescheld bij groot alarm voor acuut gevaar: 'Absoluut je kop dicht tot ik zeg dat hij weer open mag!'. De jongen hebben nog schelle babystemmen die meteen verstommen als de ouders opdracht geven.
Terwijl ik dit tik, hoor ik door de open deuren de jongen opgewonden piepen. De rhodo's liggen vlakbij en ik kijk wat er loos is. Waarempel, ik zie ze kleine stukjes vliegen. Uit de rhodo's naar ons terras en weer terug. En het zijn geen twee jongen, zoals ik steeds heb gedacht, maar drie! Twee al aardig behendig, maar de derde nog altijd zeer onbeholpen. Hij krijst moord en brand na een kort oefenvluchtje maar de ouders kijken hippend, lokkend en tevreden toe.
De wonderen der natuur houden niet op mij te verbazen...