
Rechts, hoog in de boom, de parelende zang met veel trillers waarbij duidelijk een kinderstem bijvalt; links het niet aflatende metalige gekwetter van moeder winterkoning die haar kind lokt. Ze zijn een paar meter verder en het kleintje piept van beneden terug.
Bij de vijver, niet te geloven, wagen de eerste kikkertjes zich even aan land, om dan weer tussen de draadalg te verdwijnen. Zei ik gisteren dat ze de maat van een bromvlieg hadden, nu lopen er bromvliegen rond en die zijn tweemaal zo groot. Hoewel de vele afgevallen dennenbloempjes (denappeltjes in spé die niet zijn bevrucht) langs de randen een goede dekking bieden, zijn de kikkertjes met nat glanzend vel opvallend zichtbaar zodra ze zich bewegen. Eksters en merels hippen spiedend rond en de eerste doden zijn gevallen, bromvliegen bewaken de oevers en de mieren drommen in kolonnes op. Dood is leven.
Dus toch? Vorig jaar is alles (7 juli) bij volle maan vertrokken. We vroegen ons af of dit toeval was. De kleintjes waren veel beter ontwikkeld want twee weken groei doet veel. Over twee dagen is het volle maan. Grote uittocht dan? Zelfs de kleine winterkoning zou de kikkertjes met gemak kunnen behappen.
Bij het vegen van bamboeblad ontblootte ik zojuist een enorme pad. Van schrik kon ik alleen maar 'sorry!' stamelen en hem weer naarstig toedekken. Volgens mij was het een van die twee grote die ik in april betrapte bij het vrijen.
Loggen? Wat heb ik te loggen? Buiten zuigt me op. Ik lees geen kranten meer, nieuws laat me onverschillig, want alles is betrekkelijk in vergelijk met natuur die onbeïnvloedbaar zijn gang gaat. Verwoestend en vernieuwend tegelijk want dood doet leven.