
We kregen een uitnodiging voor een bruiloftsfeest met het vriendelijke verzoek ter verhoging van de feestvreugde voor het echtpaar een half sonnet te dichten. Ik fronste even de wenkbrauwen bij het woord sonnet. Waarom niet gewoon een gedichtje, zo vroeg ik mij af.
Naarmate uur U naderde om iets dichterlijks te produceren zat dat halve sonnet me nog altijd niet lekker. Er stond me vaag nog iets bij over jambes, rijmschema en aantal regels, dus voor de zekerheid zocht ik het op.
En jawel: het Algemeen Repertorium II met systematische samenvatting van de A-vakken (Elsevier Amsterdam / Brussel MCMLV) zegt er dit over:
Sonnet is een liefdesgedicht, telt veertien regels, en bestaat uit twee strofen van vier (het octaaf) en twee strofen van drie regels (het sextet). Het octaaf behelst de expositie, het sextet de conclusie. Tussen het octaaf en het sextet ligt dus een wending in de ontwikkelde gedachte, die men chute, volta, of keerpunt noemt.
Het rijmschema van het Italiaanse sonnet is: abba; abba; cdc; dcd, maar ment wijkt er in het sextet al spoedig vanaf.
Het Engelse sonnet van Shakespeare en Spenser heeft een enigszins andere vorm: het bestaat uit drie strofen van vier regels en eentje van twee regels, met het rijmschema abab; cdcd; efef; gg.
Het sonnet, oorspronkelijk thuis bij de Provençaalse troubadours, krijgt met de renaissance een grote verbreiding. (Einde citaat)
Zoiets vermoedde ik al. Ik bedoel: hier beginnen mijn problemen. Want hoe je het ook keert of wendt, een half sonnet van zeven regels valt hier naar mijn gevoel niet van te bakken.
Het is net als met Pasen: een half ei is geen ei.