Leer mij de karpers kennen
De vijver heeft het clubje karpers die vorige zomer kwamen niet overleefd. Hij is totaal uitgewoond.
De zuurstofplanten die een tapijt op de bodem vormden zijn opgegeten of omgewoeld. Van de overvloed aan krabbescheer die elke zomer wit-bloeiend boven water kwam drijven is geen plant meer over. Het blad van de waterlelie oogt ook niet gezond.
De dikkopjes, waarvan er in kikker- en paddensoort duizenden rondzwommen zijn op. De prachtige salamanders waarnaar ik uren kon zitten turen lijken met huid en haar verzwolgen. Het geschuifel op zomeravonden van kikkers en padden die op weg gaan naar de vijver hebben we niet meer gezien. Maar het ergste is dat er geen poppen meer zijn van de grote, kleurige libellen waarvan we zo genoten.
De vis houdt zich schuil onder het waterlelieblad en laat zich niet zien. Zelfs al deed hij dat wel, dan koos ik toch voor mijn vijver met het verborgen leven waarvoor je oog moet hebben. Elke middag roep ik de reiger te hulp om een maaltje te komen vissen. Hij doet zijn best, maar het lukt hem niet om de modderkleurige vreetzakken te vangen. Toch moet ik die vissen kwijt.
Gisteren met een vriend, die zeer gesteld is (was) op onze kleine biotoop, zitten filosoferen. Het mooiste zou zijn als iemand voor ons een grote snoek zou vangen die binnen de kortste keren alle karpers weghapt. Tot slot hoeven we dan alleen nog maar die ene snoek te pakken die we, dik en vet geworden, op de barbecue leggen. Maar ja, hoe weet je of de snoek alle karpers heeft gegeten?
De enige goede optie is om van de winter de hele vijver leeg te laten lopen, meteen oud blad en plantenresten weg te scheppen en te hopen dat dan de reiger nog eens op de thee komt. In elk geval gaan die karpers eruit, zelfs al zou ik die vijver hoogstpersoonlijk leeg moeten drinken.
