Daarwazzeweer een dagje
Twee-en-een-half en zelfverzekerd. Ze weet wat ze wil. Niet die beker maar de rode. Geen vork maar de gele lepel. Izebel wil kersen maar geen oorbeien, zoals ze laatst een boterham at met kinderkaas. Wat zijn die kinderwoorden toch grappig. Dat duurt maar kort. Ze leert zo snel.

Samen met de bravour groeit ook de bedachtzaamheid. Je ziet haar kennis opzuigen en verteren. Zich afvragen of het wel klopt. Afwegen wat ze heeft gezien of gehoord en dat voor later gebruik een ankertje geven.
