Vrijdagavond mochten we in de Geertekerk in Utrecht de generale repetitie bijwonen van de Nederlandse Bachvereniging. Jos van Veldhoven repeteerde, voor het eerst met solisten, Telemann's Brockespassion "Der für die Sünde der Welt leidende und sterbende Jesus". Het stuk werd gistermiddag als matinée in de Stadsschouwburg in Amsterdam uitgevoerd en rechtstreeks over Radio 4 uitgezonden.
De repetitie was intiem en bijzonder. Het hele orkest sjokte uiteraard rond in zijn daagse klofje. De vrouwelijke solisten waren min-of-meer mooi (op de ladders in de panty na), de evangelist stak in smaakvolle sportkledij, de nog zeer jeugdige countertenor huppelde rond op gympen terwijl zijn witte hemd ver onder zijn grijze truitje uit zijn broek hing, en Jesus himself - de prachtige bas die straks ook de Matthaëus zal doen - stond te zingen in een ietwat gekrompen turkoois hemdje met superkorte mouwtjes. Geweldig.
Orkestleden, met bekertjes koffie aan de voet, maakten nog vele aantekeningen. De hoornisten, die op schaarse tijden hun partijtje moesten blazen, glipten telkens weg, kwamen terug, vroegen hoe ver het stuk was gevorderd, bliezen en vertrokken weer. Solisten lurkten tussentijds aan de bekende blauwe flesjes. Een van de tenoren moest zijn lange aria wat levendiger zingen.
Het koor van de Bachvereniging had ongetwijfeld al vaak gerepeteerd. Een van de solo-sopranen vloog op zeker moment uit de bocht, de evangelist stopte zijn zingen omdat hij het - geloof ik - niet eens was met de interpretatie van het koor, Jezus was even zijn tekst kwijt, Jos himself kreeg na de pauze een vlaag van verstrooidheid en excuseerde zich bij de zanger die wilde inzetten, de andere solosopraan zong op zeker moment verzonnen woorden omdat ze de weg was kwijtgeraakt.
Alleen de jonge countertenor zong door dik en dun met een gouden keel zijn partijen. Zo mooi, zo trefzeker dat hij op zeker moment zelfs een zachte roffel van het orkest kreeg. Ze tikten met hun strijkstokken of instrumenten zachtjes in hun hand. Het leek wel of de countertenor iedereen extra energie gaf. Het was een lange, vaak onderbroken repetitie na de pauze. Ik vroeg mij af of Van Veldhoven wel goed zou slapen.
Gistermiddag aan de radio gekluisterd gezeten. Met gesloten ogen orkestleden, koor en solisten teruggehoord zoals ze vrijdagavond geconcentreerd hadden staan of zitten spelen; zo zag ik de hoorns die niet weg konden glippen, stelde ik mij voor hoe niemand aan zijn fles kon lurken, vroeg ik mij af hoe Jezus was gekleed en of de counter zijn hemd nu in zijn broek had gestoken. Ik hoorde de momenten terug waar het in de repetitie mis was gegaan. Geen hapering meer te bekennen. Maar ik besefte wel dat het bijgewoond hebben van de repetitie een extra dimensie gaf.
Zo'n repetitie hakt er in; de muziek is - met de onvolkomenheden die nog gecorrigeerd moeten worden - veel directer. Je ziet de prestaties die worden geleverd, de vele aantekeningen die nog worden gemaakt, de vergissingen die begaan kunnen worden; de momenten van onoplettendheid die fataal kunnen worden. Je beseft als nooit eerder hoe een uitvoering - en zeker zo'n lange als deze - een waanzinnige krachttoer is.