
Beetje katterig loop ik rond want van de knopspeldpadjes is vrijwel niets meer te zien. Ik weiger aan te nemen dat alle drieduizend nu al verorberd zijn. Hoewel, als een salamander met open mond rondzwemt, schuift het vlees hem gewoon in de kaken en verder barst het onder water van de rovers. Niet zeuren, zeg ik tegen mezelf, ze zullen wel onder de planten verscholen zitten.
Als ik mijn log van juni 2001 teruglees heb ik die zomer een wonder beleefd. De vijver had nog geen planten en geen rovers, waardoor de paddenkinders volmaakt onbevangen opgroeiden. Ze leefden in grote groepen, speelden samen en bleven rustig liggen als ik de lens op hen richtte.

Als ik de vele bijzondere foto's toen niet had kunnen nemen (ik heb een hele serie) zou ik geloven dat ik het gedroomd had. Ik weet nu dat ik krankzinnig veel geluk had en dat mijn symbiose met kleine padjes nooit meer hetzelfde zal kunnen zijn.

Want kijk, o wonder, ook kleine padjes hebben een eigen gezicht met eigen expressie. Het broedsel van toen was zo onbevangen dat het rustig bleef liggen als ik zo dichtbij kwam met een lens. Maar van de honderden die vitaal en gezond (maatje bromvlieg) bij volle maan het water verlieten, hebben er maar enkelen overleefd. Het gros bleek gefokt als biefstuk voor hogere heren en dames in de natuurlijke keten.
elisa op 05 juni 2003 om 11:23 uur
Grappig dat je dit soort fenomenen op afstand heel normaal kunt vinden, maar dat als je oog in oog staat met zo'n klein padje die vleeseterij verschrikkelijk wreed is.