
Rond half tien vanmorgen is ze weggevlogen, maar ik wist dat ze terug zou komen. Om halfzeven streek ze geluidloos neer in de den op de heuvel. Ze schikte haar veren en bleef een tijd lang rustig zitten.
Hij vloog altijd met veel kabaal, haar hoor je amper maar zij is ook lichter. Misschien ook dat het geklapper iets betekent als hoi, hier ben ik weer en even persoonlijk is als een menselijke voetstap.
Ze vloog naar de tamme kastanje waar ze gezelschap kreeg van een duif die avances begon te maken, maar ze moest hier niets van hebben en ontvluchtte hem.

Zojuist zat ze in de laatste stralen van de zon op een tak waar ze een groot deel van de lucht kan overzien. Rondom is overal gekoer te horen waarop zij niet reageert. Zij wacht, maar beseft kennelijk nog niet dat dit vergeefs is.