
Zo rond een uur of nu is er dagelijks palaver aan de achtervijver. De voltallige mereljeugd komt daar samen voor ontbijt met een praatje. De wormen leven weer dicht onder de oppervlakte nu het regelmatig regent. De voedselschaarste is voorbij.
De jongen zien er uit als Hollands welvaren. Bolrond van puppievet, nog rommelig in de veren maar de mannetjes hebben al gele snavels gekregen. Zij proberen langs de vijver dezelfde manoeuvres uit te halen als hun pappa's deden maar ze zijn nog onhandig.
Geen van de vaders of moeders meer teruggezien. Zijn ze weggetrokken om de jongen dit territoir te gunnen? Of hebben ze zich letterlijk kapotgewerkt om hun broedsel groot te brengen? Niet te beschrijven hoe zwaar ze het hebben gehad door hitte en droogte.
Alles wat ze vonden werd meteen naar de jongen gebracht. In het uitgedroogde zand was geen wurm meer te vinden. Het enige vlees bestond uit jonge salamanders; druiven, bramen of bessen werden stuk voor stuk aangevlogen tegen de dorst. Van zonsop- tot ondergang werden de kleinen gevoed en bewaakt tegen rovers. Een heidens karwei want ook de belagers hadden honger.
Er hipt een mannetje rond met een vreemd gespleten staart, wat hem een tikkeltje stuurloos maakt. Zou dit het kind zijn dat ik uit de klauwen van twee eksters redde? De merelmoeder met witte vlekjes op de borst heeft twee dochters grootgebracht met exact dezelfde vlekjes. Het leven gaat naadloos van generatie op generatie verder.
elisa op 11 september 2003 om 09:30 uur