

Tegen half vijf mekkert Pluis dat er geen klap te beleven valt achter het raam. Het voerbordje is leeg. Natte, lange, donkere dag. Ik strijk over mijn hart en zet zangzaad met zonnepitten op het menu. Ik word in de gaten gehouden. Uit alle richtingen vliegen ze aan om een graantje te pikken.
Fiep heeft kennelijk ook gezien dat het bordje werd gevuld en is er als de kippen bij.
Eerst komt ze gewoontegetrouw, staande op haar achterpoten, door het raam gluren wat er binnen te beleven valt. Alles oke? Geen vreemden in de buurt? Ze begint nu snel te vergrijzen en haar eens zo volle pluimstaart wordt almaar dunner. Nu ze nat is ziet ze er haveloos uit.
Ze begint als uitgehongerd zonnepitten uit het graan te snoepen waarna ze de eerste noot meepik die ze ingraaft aan de voet van de eik. Ze komt terug om de tweede te halen en ergens te verstoppen. Daarna verschijnt ze voor de derde maal om zorgvuldig de laatste zonnepitten tussen de graantjes vandaan te snoepen.
Het verhaal zou eentonig worden als haar vertrouwen geen wondertje was.
Dat is inderdaad prachtig.