
Buiten gonst en snatert het van de jongen. Elk zich respecterend mezenras heeft nu gebroed in het geboomte vliegen: pimpel, kool, kuif, zwarte en zo. Voeg daar de boomklevers en -kruipers bij, de roodborsten en winterkoningen (geen nestje onder de balken dit jaar maar wel in een spar) zanglijsters, duiven, vinken, spechten en merels, en er is voedsel te over voor troepen kraaien en eksters die op gezette tijden overvliegen om een bloedwarm kipje te halen.
Pronkstuk temidden van al deze drukte is mannetje goudvink. Met die knalrode borst - veel roder dan die van de roodborst - kan hij nergens rustig zitten zonder zichzelf te verraden. Kop, staart en vleugelpunten lijken in de pianolak gedompeld, zo glanzend zwart steken ze af tegen grijs en wit van rug en stuit. Hij is hier moeders mooiste.
De dikkopjes groeien gestaag maar raken steeds opper. Ze hangen in groepjes bijeen in ondiepe gedeelten waar de temperatuur van het water behaaglijk is. Ze hebben biefstukkenverstand want merels en eksters hebben al lang ontdekt dat als je daar door het water waadt, ze zo je bek in komen zwemmen. In de kleine tobbe waar dit gevaar niet dreigt, komen Koning Kikker of Vadertje Pad om de paar uur hun honger stillen. Alleen de slimmen overleven.
elisa op 03 juni 2004 om 12:33 uur
leuk en waar... de jongen hebben vandaag hier het nest verlaten na enige inspanning en aan moedigingen van hun ouders..