
Een uur vroeger dan gewoonlijk stap ik met Beer uit de keukendeur. Hij huppelt vast de hoek om voor een plas terwijl ik gewoontegetrouw de voederplank inspecteer. Noten zijn weg.
Schiet me daar toch ineens een rat onder tafel door, hup tegen de muur op en zo de stam in van de witte regen. De rat blijkt rood en blijft snakkend naar adem als een vleermuis hangen terwijl ze me over haar schouder een duistere blik toewerpt. 'Fiep toch, ik schrik me rot' is het enige wat ik uit kan brengen.
Anders zij wel. Ze moet - drinkend uit de tobbe - door Beer zijn verrast. Die komt nooit zo vroeg naar buiten. Fiep klimt verder omhoog, naar het verlaten duivennest vanwaar ze ons goed in de gaten kan houden.
Kwartier later, na zijn portie brokken, maak ik met Beer een loopje. We komen langs de notenboom. Aha! De walnoot op de grond verraadt de sporen van de hand die hem heeft gegrepen. Wie anders heeft er zulke nagels?
