
Het flits rood langs mijn ooghoek, over het pad, de hoek om. Ik zet koers naar de keuken waar wij elkaar inderdaad treffen. Het is een opmerkelijk kleintje, strak in het rode pak en breed in de staart. Het graait een noot weg en neemt als een hazenwind de kuierlatten.
We gaan meteen maar een bammetje eten.
Als wij ons brood wegkauwen nadert ineens nummer twee.
Fiep?
Nee, zegt JW. Ook deze is kleiner. Vrij schichtig en minder grijs.
Hij pikt de tweede noot en verdwijnt als een dief in het duister.
Daar is Fiep!
Onmiskenbaar met haar grijze snuit, grijzende flanken en slonzige staart.
Bij elke eek die ik tegenkom vraag ik mij af of het Fiep is, maar als ik haar zie is geen vergissing mogelijk. Niet alleen door uiterlijk maar vooral door gedrag.
Ze hupt de kist op naar haar bakje en blijft sprakeloos zitten. Haar hele lijf zegt: Wieheeftmenoot?. Ze zoekt in het gereedschapskistje, in de klompen, komt tegen de ruit op staan, gluurt naar binnen en roept verontwaardigd: Whaarisverdoriemenoot?. Niet in het minst door ons gehinderd zoekt ze nogmaals alles af. Weer gluurt ze naar binnen of wij soms gek geworden zijn.
Ze laat berustend haar schouders zakken, taait af, gaat tegen de mand op staan waarin eikels worden verzameld. Ze kan er maar net bij en zoekt zich een mooie uit, waarmee ze dan toch nog getroost vertrekt.
elisa op 25 oktober 2004 om 14:52 uur
Ik geniet van de eekhoorn verhalen.
In Beijing, waar de spaarzame boom kleurt, maakt het me heimweisch naar Holland.