
Ik ben uitgebreid
Žuit ge breid
bijvoeglijk naamwoord; afleiding: uitgebreidheid
1 van grote omvang
voorbeeld
+ zelfstandig naamwoord
uitgebreide bezittingen
2 veelomvattend
voorbeeld
+ zelfstandig naamwoord
een uitgebreide kennis van iets hebben
3 tot in bijzonderheden gaand
voorbeeld
+ zelfstandig naamwoord
een uitgebreid verslag
+ werkwoord
uitgebreid dineren
zie ook
uitbreiden
Maar dit bedoel ik helemaal niet!
van Dale bedenkt niet om te laten kijken bij
Žbrei en
werkwoord; breide, heeft gebreid
I onovergankelijk werkwoord
1 eindeloos met de bal combineren zonder tot een
goede aanval te komen
II overgankelijk werkwoord, ook zonder object
1 draden met lange naalden zodanig strikken dat zij een
samenhangend geheel vormen
voorbeeld
+ bijvoeglijk naamwoord
iets recht breien
iets met moeite corrigeren
+ werkwoord
zij kan praten en breien
zij kan verschillende dingen tegelijk doen
+ voorzetsel
aan een trui breien
2 (netten) knopen
Wat een geleuter!
Ik zei gewoon dat ik uitgebreid was.
Wat u hiervan denkt zal mij absoluut een zorg wezen.